Lezing: Openbaring 7,2-4.9-14; Matteus 5, 1 - 14

Afgelopen maandag hebben we heel onverwachts Gabriel moeten begraven. Hij hoorde, net als ik, bij de groep verbondenen van de Abdij van Berne. Een van de mensen die bij zijn uitvaart sprak, durfde het aan om deze Gabriel een 'heilige' te noemen. Niet in de zin van een heilig verklaring, maar in het licht van Gabriels zoektocht naar het leven 'helen'. De spreker verantwoordde zijn verhaal door kwaliteiten van Gabriels leven aan te halen die Jezus ook benoemt in zijn Bergrede. Kwaliteiten, die een mens, aldus Jezus, geluk brengen. Omdat het kwaliteiten zijn waarmee je het leven, van de ander en van de schepping heelt. Natuurlijk had Gabriel, net als wij allemaal, allerlei tekortkomingen maar zijn drijfveer was Jezus achterna; je leven inzetten voor dat koninkrijk van God. Het was leven vanuit een visioen, zoals Johannes het ons vandaag voorhoudt. Gabriel deed dat op zijn eigen wijze, oprecht als mens zonder dubbele agenda; die heel goed zijn eigen falen zag en rustig benoemde. Een van zijn zoons onderstreepte dat: mijn vader hield van me; steunde me door dik en dun. Hij gaf wél zijn eigen onmacht aan als ik dingen deed die hij verafschuwde, die niet bij zijn visioen pasten, maar steeds als ik weer eens op de rand van de afgrond balanceerde, was hij er; hij liet me niet vallen.
Ook ik zie Gabriel als een van de trouwe volgelingen van Jezus. Hij loopt tussen al die andere mensen mee de berg op Hem achterna. Jezus straalt iets bijzonders uit, anders zou de schare op de berg niet zo groot zijn. Eenmaal boven op de berg vormen eerst de leerlingen een kring om Jezus heen. Daaromheen ontstaan vanzelf kringen van mensen die naar Hem komen luisteren. Hij onderrichtte hen, staat er, Jezus vertelt dingen om over na te denken; om door je heen te laten gaan, te onthouden; om iets mee te doen!
Wonderlijk genoeg richt Hij zich eerst tot mensen die dat niet verwachtten. Degenen die zich ergens achteraan verschuilen; aan de rand van de samenleving. De armen, mensen die nederig zijn van hart; zij voelen zich klein, minderwaardig vaak en vinden dat ze tegenover God met lege handen staan. Aan hen wordt het eerst geluk aangezegd. Want juist hun handen, vindt Jezus, zijn in staat om het koninkrijk te ontvangen. Omdat zij zich niets verbeelden; geen last hebben van hoogmoed. En Hij hoopt van harte dat zij zijn Woorden geloven. Dan richt Hij zich tot mensen die ontheemd zijn, die in ballingschap leven. Zij worden in de Bijbel vaak de verdrietigen genoemd. Jezus belooft, dat zij zich niet langer thuisloos hoeven voelen, omdat God ze een plek belooft. Die belofte klinkt oprecht; beurt het hen op? Ze blijven wel staan om nog meer te horen.
Dan richt Jezus zich tot iedereen en benoemt een aantal kwaliteiten van leven: zachtmoedigheid, hongeren en dorsten naar gerechtigheid, mildheid en barmhartigheid, zuiver van hart, maak jezelf die kwaliteiten eigen, leef ernaar en ze kunnen je geluk brengen. Nee, niet het geluk van een loterij; van een topbaan of een eeuwigdurende gezondheid, maar het geluk dat je het land mag bezitten. Land, grond om op te wonen dat betekent toekomst. Land bezitten is ook de aarde beërven: leven van de erfenis: van de vruchten die zachtmoedigheid, mildheid voortbrengen. Jezus hoopt dat al die mensen op de berg zijn woorden ter harte nemen en geloven in de levenwekkende kracht ervan. Dat heel die menigte zich voorneemt om ernaar te leven.
Daarna begint Jezus tegen zijn leerlingen te praten. Hij wil sommige lastige punten van zijn boodschap nog eens extra belichten. De leerlingen weten al dat die kwaliteiten van leven slecht vallen in onze harde, op macht en bezit gerichte maatschappij. Omzien naar marginalen vinden velen immers lastig; eigen schuld dikke bult, is vaak de reactie. Zulke mensen moeten gewoon beter opletten. Wie barmhartigheid en zachtmoedigheid handen en voeten geeft, vindt lang niet altijd begrip. Mild zijn en vergevingsgezind betekent dat ze je een watje vinden, hard zijn is het devies. En toch, zegt Jezus opnieuw: zelfs al schelden ze je uit, omwille van Mij, al word je vervolgd, geef het niet op, blijf Mij trouw. Wie durft er dan nog in het openbaar te spreken over het visioen dat je voor ogen hebt? Toch houdt Jezus vandaag opnieuw een pleidooi om over dat visioen te blijven praten.
Want jullie, zegt Hij tegen die verzamelde mensen op de berg, én tegen ons: Jullie zijn het zout der aarde, jullie zijn smaakmakers van de wereld als het gaat om leven. Zonder jullie wordt de wereld smakeloos, vindt niemand er nog iets aan, verdwijnt de spirit. En daar moeten we het toch van hebben, van levenskracht, van vitaliteit.
Jullie zijn ook het licht van de wereld, breng leven aan het licht. Haal het onder de korenmaat vandaan; uit dat verdomhoekje waar onrecht kan woekeren en vredesregels geschonden worden; breng pijn en lijden aan het licht, dan kan het geheeld worden.
Zo vertelt Jezus verder. De Bergrede stopt niet waar de evangelielezing van vandaag eindigde. Nee, eigenlijk begint ze dan pas. Want Jezus belicht al die verschillende gelukkigsprekingen nog eens uitvoerig. 'Ik ben niet gekomen', zegt Jezus, 'om de Wet die Mozes op de berg ontving af te schaffen, maar om ze te vervullen'. Hij maakt van de regel een belofte.
Jezus spreekt niet in de vermanende taal van: Gij zult niet doden, niet stelen, maar in de taal van: als je barmhartig kunt zijn zeg ik je nu al geluk aan. Het zijn bemoedigende woorden en verhalen om die staat van geluk te bereiken. Pas als Jezus al die aansporingen, die situaties waarin we terecht kunnen komen, uitvoerig heeft belicht en van zijn geestkracht heeft voorzien, eindigt zijn Bergrede. Dan gaat Jezus de berg af en gaan de mensen naar huis om zijn verhaal te doen.
Wie in staat is om zich die kwaliteiten eigen te maken, ernaar kan leven, heilig je de aarde. Je maakt op dat moment dat stukje aarde waar jij aanwezig bent heel, volledig. Als je die kwaliteiten van leven laat zien en kan delen met anderen, dan heilig je de mensen. Alle mensen die jij mag ontmoeten op je levensweg. Zij worden in dat delen weer heel, volledig. Als je vanuit Gods visioen leeft dan heilig je de schepping. Zij wordt weer heel en volledig waar het zaad van jouw kwaliteiten wortel mag schieten.
Wie zo kan leven is, denk ik, één van de getekenden uit de Openbaring van Johannes. Honderdvierenveertigduizend rechtvaardigen, dat is een ontelbare menigte. Zij worden gered van de ondergang van de aarde om ten volle te leven. Zij dragen het witte kleed, symbool van verrijzenis, kenmerk van de nieuwe mens. Ze komen uit alle lagen van de bevolking, uit alle volkeren en rassen en talen. En allemaal zijn ze geraakt door God en het Lam (Christus), dat is en was hun passie. Zo bemoedigt Johannes de mensen van zijn tijd en belooft: Gelukkig is ieder die dit voorleest en gelukkig zijn zij die het horen. Johannes doelt hier op hetzelfde geluk dat Jezus ons daar op die heilige berg toezegt. Jezus heiligt die plek nog eens extra omdat de kwaliteiten van leven die Hij zelf uitdraagt louter geluk en genade blijken te zijn.
Ik denk niet dat je als mens bewust kiest om heilig te worden of te zijn. Het is iets dat aan je gebeurt, dat je tekent. Het is het resultaat van de kwaliteiten van waaruit jij probeert te leven. Wie leeft vanuit zijn hart, is een getekend mens: want die bevlogenheid, dat elan is je aan te zien; straal je uit en werkt aanstekelijk. Zo draag jij je steentje bij aan de heiliging van de aarde, van mensen, van de schepping. Zo droeg ook Gabriel zijn steentje bij. Mogen we hem en alle mensen die leefden en leven met en vanuit dat visioen, blijven heiligen. God zelf, zo belooft Jezus, zal dat tot in eeuwigheid blijven doen.
weekend 29/30 oktober 2011
| < Vorige | Volgende > |
|---|




