Joh. 6, 37 - 40

2 November. Het is koud. De dagen worden korter. De zon komt steeds later op en de lamp moet iedere dag wat vroeger aan. Bladeren vallen van de bomen, de natuur trekt zich in de aarde terug. Alle kleur lijkt te verdwijnen. En juist in deze tijd vieren we Allerzielen.
Na de dood van een dierbare kan het ook lijken of alle kleur uit je leven verdwenen is. Je kunt je ontworteld voelen, boos zijn, bang en alleen. Het gemis is pijnlijk voelbaar. Die lege plek aan tafel, de stilte in huis, het alleen naar bed gaan, of soms nog erger, het alleen weer op staan. Je moeder, waar je zomaar koffie ging drinken. Je vader die zo blij was als je even aan kwam. Om nog maar niet te spreken van het gemis van een kind. Daar zijn eigenlijk geen woorden voor.
Zo’n verlies roept vragen op. Waarom? Waarom moet mij dit overkomen? Vragen vol twijfels ook: God weet, komt het ooit nog goed? Kan ik ooit weer genieten? Mag ik nog wel genieten? Doe ik de ander dan niet tekort? Zal de tijd alle wonden helen?
"Ik kan niet meer bidden", zei de vrouw die haar man plotseling verloren had. "Het lijkt wel of het draadje met God doorgeknipt is."
Maar er is ook die andere kant. Durf ik iemand die een groot verlies geleden heeft nog wel aan te spreken? Durf ik het over meer dan koetjes en kalfjes te hebben? Durf ik hulp te bieden?
En toch ...
Overal zien we mensen die het redden. Die overleven. Die uit dat diepe dal omhoog kunnen klimmen.
Waar halen mensen de kracht vandaan om te leven met het gemis? Om weer vertrouwen te krjgen? Weer vaste grond onder de voeten? Om mensen nabij te durven zijn?
In het evangelie hoorden we Jezus zeggen: "Dit is de wil van Hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie Hij mij gegeven heeft verloren laat gaan". Jezus leeft in diepe verbondenheid met zijn Vader. Wie zijn Vader is en wie Jezus zelf is, maakt hij duidelijk in heel gewone woorden uit het dagelijks leven. Zeker voor de mensen in zijn tijd zijn het vertrouwde begrippen: de poort, het licht, de wijnstok, de herder, het brood en de weg. Woorden met een symbolische betekenis. Als je leven donker is, wil God het Licht zijn.
Zoals een herder die al zijn schapen kent, houdt God van ons. God wil voor ons de poort zijn die naar de weide leidt. Waar je mag vertrouwen dat het leven goed is, hoe dan ook. God wil dat wij niet verloren gaan en niet voor niets leven. Overal waar mensen dreigen weg te zakken, hongerend naar iemand die voedt, wil Hij brood zijn. Daar wil Hij met zijn licht doorbreken.
Om zijn licht in de wereld te laten schijnen heeft God ons, zijn mensen nodig. Hij heeft ons broodnodig. In mensen kan God gebeuren. Zijn licht breekt door overal waar wij mensen ons inzetten voor elkaar. Als wij elkaars levenslot durven delen. Als wij elkaar weer vaste grond onder de voeten proberen te geven. Als wijzelf brood willen worden dat voedt. Dat zit hem vaak maar in kleine alledaagse dingen. Tegen het verdriet om het verlies en alle pijn van vrieskou, en rouwkou helpt niets anders dan dat je erbij bent met je lichaamswarmte en je ziel.
Ik las het verhaal van Marja die haar man verloren had. Haar buurvrouw kwam haar iedere ochtend halen om samen te gaan wandelen. Ze zei: "Onze dagelijkse wandeling gaf structuur aan de dag, zeker in het begin had ik dat nodig. Of ik nou wel of geen goede nacht had, ik moest opstaan, ook al had ik helemaal geen zin in de dag. We liepen steeds hetzelfde rondje van een half uur. Soms praatten we, soms zwegen we. Ik wist dat ik mijn verhaal kwijt kon als ik daar behoefte aan had."
Of het verhaal van Marij die twee jaar lang lang na het overlijden van haar broer regelmatig bezoek kreeg van een vroegere collega. Zij nam altijd een breiwerkje mee. Samen dronken ze thee en breide ze. Marij kon haar verhaal kwijt over haar broer, zijn leven, zijn laatste jaar, zijn sterven. Het breien maakte het huiselijk en veilig. Daardoor lag de aandacht niet te veel op het moeten praten of het verlies. Ze was er gewoon en nam alle tijd voor haar.
Ons geloof in God en in elkaar kan ons helpen in het overleven. Niet de tijd heelt alle wonden, maar het vertrouwen. God weet: het komt goed. Het komt goed als wij onze handen open durven houden om Zijn genade te ontvangen. Om de liefde die ons toevalt te ontvangen. Zo verbinden we ons met Hem zoals Jezus zich verbonden wist.
Door de liefdevolle aandacht voor Marja en Marij kregen zij langzaam weer vertrouwen in het leven. Met vertrouwen kun je misschien weer zien dat de wereld groter is dan de vier muren om je heen. Dat je leven groter is dan het verdriet van vandaag.
In het evangelie van Johannes lezen we verder: "Ik ben de Opstanding en het leven; Al wie leeft en gelooft in Mij zal niet sterven tot in eeuwigheid." Woorden van Jezus. Woord van God.
In vertrouwen hebben we onze geliefden uit handen gegeven aan Hem die dat belooft. Datzelfde vertrouwen hebben we nodig om verder te gaan. In dankbare herinnering denken we terug, in aarzelend geloof mogen we uitzien naar een toekomst die in Gods handen is.
2 november 2011
| < Vorige | Volgende > |
|---|




