Jesaja 40, 1-5,9-11; Marcus 1,1-8

Van alle figuren die in het Evangelie optreden, heb ik altijd het meeste sympathie gehad voor Johannes de Doper. En daarin ben ik allerminst de eerste. Eeuwenlang heeft deze eigenzinnige gestalte tot de verbeelding gesproken van grote en kleine kunstenaars, maar ook van gewone gelovigen, veel meer eigenlijk nog dan Jezus zelf.
En wanneer we Marcus mogen geloven had deze verwilderde man met zijn mantel van kamelenhaar ook het vertrouwen van de mensen om hem heen – Een vertrouwen dat zo groot was, dat Johannes door vele van zijn tijdgenoten als de Verlosser werd gezien – de vervulling van de hoop die hen toeliet om de chaos en de afgronden van het leven aan te kunnen. Maar Johannes laat zich niet verleiden door menselijke ijdelheid – zo eigenzinnig en soeverein van gemoed is hij wel. Diegene die na hem komt, dát is diegene die groter is dan hijzelf, dat is diegene op wie wij onze hoop moeten vestigen. Johannes weerstaat de drang om mensen de valse hoop te geven dat hij de verwachtingen kan inlossen die de mensen in hem stellen. Dit doet hij niet uit angst of onzekerheid voor het gewicht dat daarmee op zijn schouders komt te liggen, neen, want hij reikt de mensen die hunkeren naar geluk wel een perspectief aan. En hij moet daarvoor zelfs het leven laten – want mensen die zich niet plooien naar wat de wereld verwacht, roepen al te vaak de angst op bij mensen die de wereld klein en controleerbaar willen houden.
Wij leven in een tijd waarin de hoop op een sterke leider weer lijkt op te bloeien, zoals dit eigenlijk altijd het geval is in periodes van onzekerheid. We zagen het in de jaren ’30 van de vorige eeuw, na de grote crash op Wall Street – en we zien het vandaag weer – we hebben geen richting meer, de beurzen maken bewegingen die onnavolgbaar en niet te sturen zijn, zelfs voor de grootste specialisten en de machtigste vrouwen en mannen. In zo’n sfeer leeft de hoop op dat er iemand komt die zegt welke kant we moeten uitgaan, met alle risico’s die we uit de geschiedenis kennen. Maar ook in bedrijven en organisaties, en zelfs in onze eigen kerk zien we de tendens om zich te richten op een sterke man, achter wiens brede schouders wij ons kunnen verbergen tegen de barre tijden daarbuiten – en wanneer we dan bedrogen uitkomen, gaan we weer op zoek naar een ander.
Maar ook in mijn eigen kleine omgeving ken ik heel wat mensen die niets liever willen dan dat iemand hen de weg zou wijzen. Soms zoeken mensen in een geliefde hun gids voor het leven, omdat ze zelf de moed niet hebben op zoek te gaan, omdat ze angst hebben te verdwalen in een grote wereld – ze zoeken een kleine Messias.
De manier waarop Johannes de weg wijst, is echter een heel andere. Johannes doorziet het verlangen van de mens naar een echte leider, maar weerstaat de verleiding om daarvan gebruik te maken – hij laat zich niet in die rol duwen, die ook wijzelf soms al te graag innemen, zodra wij daartoe de gelegenheid komen.
Want Johannes is een eigenzinnig iemand – een roepende in de woestijn – die andere wegen durft te gaan – en daarom treedt hij op, meteen al in het begin van het Marcus-evangelie – Johannes de Doper is in feite de eerste gelovige, omdat hij weet dat we de echte kracht van leven nooit in handen van een ander mens moeten zoeken. De menselijke grootsheid van Johannes bestaat er in dat hij het vertrouwen dat anderen in hem stellen beantwoordt met een verwijzing naar wat groter en sterker is dan hemzelf. Dit wijzen van Johannes laat ons zien dat liefde nooit kan betekenen dat wij anderen onze levensruimte laten bepalen – dat de liefde groter is dan wat wij bij andere mensen zoeken. Johannes laat de grootst mogelijke menselijke liefde zien: dat wij elkaar kunnen dopen en zegenen. Dat is een heel andere manier van zich tot elkaar verhouden dan de afhankelijke zoektocht naar iemand die ons zegt hoe het allemaal moet. En er wordt ook meteen duidelijk gemaakt wat dit dopen eigenlijk is: zoals Johannes kunnen wij elkaar wijzen op iemand die sterker is dan onszelf. Johannes is de ware beminde – omdat hij weet dat wie alle hoop op zijn levenskracht richt, uiteindelijk bedrogen uitkomt. Hij wijst ons er op dat we zelf onze weg naar de goddelijke levenskracht moeten zoeken – de Christus in onszelf, die we nog niet zijn.
In dit opzicht is het Marcus-Evangelie vanaf zijn eerste regels één groot leerboek – een handleiding voor de liefde, waarbij we ons nooit van andere mensen afhankelijk mogen maken, maar onszelf mogen zijn. Dit is het wat Johannes begrepen heeft en het is zijn grootsheid dat hij de verleiding heeft weerstaan om voor kleine Messias te spelen. Hij wijst ons de grote wijde wereld in, waarin we zelf op zoek moeten en daardoor ons leven in God vinden.
Weekend 3/4 december 2011
| < Vorige | Volgende > |
|---|




