
Toen ik net in Nijmegen woonde, moest ik even wennen als iemand me belde voor de 'doping'. Het bleek een aanvraag voor een doop te zijn. Doping heeft in het dagelijks taalgebruik vooral een negatieve klank: het is oneerlijk en gevaarlijk voor je gezondheid. Maar bij het doopgesprek afgelopen dinsdagavond met ouders van 6 kinderen bedacht ik dat het toch best iets zegt over de doop. Tenminste, als je kijkt waarom mensen aan doping beginnen.
Van doping verwachten ze dat het hen helpt meer uit het leven en henzelf te halen. Van de doop verwachten ouders ook dat hun kinderen er beter, rijker en steviger van worden. “Ik wil mijn kind laten dopen omdat het me een geruster gevoel geeft, ik hoop dat God mijn kind beschermt”. “Ik heb van huis uit mee gekregen dat je er niet alleen voor staat, dat er altijd iemand is om op terug te vallen”. “Ik geloof dat er meer is, dat iemand om mij geeft en mijn leven draagt. Dat zou ik mijn kind ook willen meegeven”. “Jezus heeft een goed voorbeeld gegeven hoe mensen met elkaar om horen te gaan. Dat wil ik haar ook leren”. “Ik hoop dat er in de wereld altijd plaats is voor mijn kind, dat het ergens bij hoort”. Het gesprek kwam daarna vooral op de verdwenen ‘dopingcontrole’, nu naar de kerk gaan als verplichting of gewoonte en godsdienstlessen op school niet meer vanzelfsprekend zijn. Als parochie doen we ouders handreikingen met activiteiten voor kinderen. Maar voor wie daar geen (veelvuldig) gebruik van wil maken, betekent het dat je als ouders zelf meer aan de bak zal moeten met geloven thuis. Daar vormen voor vinden valt niet mee. Aan het eind van de avond heb ik de ouders veel plezier en succes gewenst met de opdracht die ze met hun doopbelofte doen: hun kinderen voorgaan in het voetspoor van Jezus. Want bij de doop geldt net als bij doping: het werkt meestal pas echt bij meermalig en langdurig gebruik.
! tip voor al die ouders die zoeken naar ideeën om thuis het christelijk geloof vorm te geven: www.geloventhuis.nl