
Naast het voorgaan in de maandelijkse vieringen en het contact met de trouwe vrijwilligers, vind ik het ook altijd erg fijn om mensen op hun kamer te bezoeken.
Zo ook van de week. Ik klop aan bij een mevrouw en stel me voor als de nieuwe pastor die graag even wil kennismaken.
O, zegt de mevrouw, bent u de pastoor? Komt u maar binnen. In het gesprek klinkt regelmatig 'ja pastoor', of 'fijn dat u bij mij op bezoek komt pastoor'.
Ik voel me een beetje opgelaten om steeds als 'pastoor' te worden aangesproken, maar voor deze mevrouw klinkt het heel vanzelfsprekend. Of toch niet?
Op een gegeven moment zegt ze: 'Ik heet Willy'. 'Mag ik Willy zeggen?', vraag ik. 'Ja dat is goed pastoor'. 'Ik heet Jeanne', zeg ik. O, heet u zo? Ja zo heet ik, en ik zou het fijn vinden als u mij gewoon Jeanne noemt. We praten nog even verder en na een tijdje nemen we afscheid.
Dan zegt mevrouw: 'Ik vind het erg fijn dat ik u Jeanne mag noemen, dat voelt dichterbij dan pastoor'. 'Ik ben blij dat ik Willy mag zeggen', antwoord ik. En blij met onze ontmoeting ga ik weer verder. Ze ziet dat ik aanklop bij een volgende deur. 'Gaat u daar maar naar toe, die mevrouw heeft het ook erg moeilijk' vertrouwt ze me nog toe.
| < Vorige | Volgende > |
|---|




