v-6.jpg
Lezingen: Deuteronomium 6:1-9; Johannes 13:31-35

Eigenlijk is dit een rare periode in het kerkelijk jaar. De paasjubel is wel, na een paar weken, zo ongeveer voorbij, ook al zou je natuurlijk kunnen beweren dat die elke zondag, als eerste dag van de week, aan de orde is. Het wachten is nu in het kerkelijk jaar op de komst van Heilige Geest op Pinksteren.
En Jezus, waar is Jezus? Een aantal zondagen hebben we het gehad over de wonderbaarlijke verschijningen van de opgestane Heer, in het midden van zijn wachtende discipelen.
Twijfel en geloof strijden om de voorrang. Wat betekent het nu dat de opgestane Heer zo nu en dan ineens zich openbaart. We raken aan zijn wonden om ook te beseffen dat het lijden echt is geweest, concreet, ontegenzeggelijk. Het verwijst ons naar het lijden in al zijn gedaanten in deze wereld.
De opgestane is getekend, is eeuwig verbonden met al de pijn en lijden die nodig is om tot nieuw leven te komen. Als gemeente van Christus raken we, als we het lijden van onschuldige mensen in de samenleving aanraken, zijn wonden aan. We vereren het lam als geslacht. De kracht van de opgestane is broze kracht, getekend voor het leven.
Hoe gaan we hier als gemeente mee om? Heen en weer bewogen tussen de vreugde om de opstanding en het aanraken van zijn wonden.
Voor deze zondag hebben de samenstellers van het lezingenrooster teruggegrepen op uitspraken van Jezus, die hij al voor zijn dood tot zijn leerlingen had gezegd. Ik zal een tijd niet zichtbaar voor jullie zijn, zegt Jezus. Waar ik heen ga, zullen jullie mij niet kunnen volgen.
En dan geeft hij aan zijn leerlingen als het ware vast zijn erfenis mee. Een nieuw gebod: heb elkaar lief. Er is natuurlijk niets nieuws aan, dat is al door de eeuwen heen het gebod om te kunnen leven in het beloofde land. Hebt elkaar lief. Het nieuwe is de manier waarop het door Jezus aan ons leerlingen is voorgelegd. De liefde tot in alle vezels van zijn bestaan. De liefde tot het uiterste.
Daaraan zegt Jezus, zullen ze jullie herkennen. Dat jullie elkaar liefhebben zal het visitekaartje zijn van de gemeente van Christus. En als we elkaar dan aankijken, hier in de gemeente van Christus in Dukenburg-Lindenholt, dan weten we dat we er lang niet altijd aan kunnen voldoen, aan dat visitekaartje.
Als we willekeurig op de markt hier op vrijdag (dacht ik) zouden vragen: wat typeert nu die mensen uit de Ontmoetingskerk, dan weet ik niet of het er overtuigend uitrolt. Dat ze elkaar liefhebben…
Het zal denk ik ook niet helemaal het tegendeel zijn. Men zal niet zeggen dat het visitekaartje van de mensen van de Ontmoetingskerk is dat ze altijd ruzie hebben, dat valt vast wel mee, maar of ze ons nu herkennen als de mensen die meer dan het gewone in vrede en liefde met elkaar omgaan?
Ik hoop het en soms zal het ook wel eens zo zijn, maar vaak ook het tegenovergestelde.
Dat nieuwe gebod, telkens nieuw van de liefde voor elkaar, dat moet keer op keer weer in ons wakker geschud worden.
In het stukje uit Deuteronomium dat we gelezen hebben staat het mooi. Laat dat gebod zijn als een teken op je arm. Bij alles waarnaar je reikt, moet het zichtbaar zijn. Of je nu reikt naar wat je bereiken wilt in het leven of dat je reikt naar je medemens, steeds moet het voor je zichtbaar zijn: het gebod van de liefde. Of draag het op je voorhoofd, staat er, zodat het voor iedereen zichtbaar is en dat je het zelf ook steeds voelt bij al de bewegingen die je in het leven maakt, het gebod van Gods liefde.
Of spijker het vast aan de deurpoorten van je huis of aan de poorten van je stad. Bij al je in en uit gaan moet het zichtbaar voor je zijn, zodat je er steeds aan herinnerd wordt: een nieuw gebod geef ik jullie. Heb elkaar lief.
U kent vast wel de gewoonte in het jodendom, om aan de deurpost in je huis een Mezoeza vast te spijkeren, een klein metalen doosje waarin een papiertje zit met daarin de woorden uit Deuteronomium: Hoor Israel, de Heer uw God is één. Gij zult de heer liefhebben met alles wat je in je hebt, (en Jezus voegde eraan toe) en je medemens als jezelf.
Dat gespijkerd aan de deurpost van je huis. Ik heb er zelf ook één hangen. Eén van de vele gedachten en gewoonten die we als christenen van de Joden hebben ontvangen, heb ik ook graag overgenomen. Als ik de sleutel van mijn huis omdraai om daar weer binnen te gaan, word ik er even aan herinnerd. Soms raak ik het even aan om er speciaal bij stil te staan.
Of ook als ik het huis afsluit om weer de wereld in te gaan, even de herinnering aan de liefde van God die overal de boventoon zou moeten voeren.
En in Deuteronomium wordt het ook nog breder gemaakt: spijker het aan de poorten van je stad. Het moet ook een bredere maatschappelijke betekenis krijgen.
In het afgelopen seizoen hebben we het voor elkaar gekregen dat Nijmegen is uitgeroepen tot Stad van Compassie. Burgemeester en wethouders en bijna de voltallige gemeenteraad hebben een manifest ondertekend met de oproep om Nijmegen, nog meer dan ze al is, te maken tot stad van compassie.
Is Nijmegen daarmee meteen anders? Nee, natuurlijk niet, maar zo’n manifest werkt een beetje als zo’n Mezoeza gespijkerd aan de symbolische stadspoort.
Bij al je in en uit gaan van de stad wordt je er weer even bij bepaald: Als je wilt dat je lang en goed met elkaar kan leven in het beloofde land, in de beloofde stad, waarin ook voor kwetsbare mensen een volwaardige plek is, dan moet je jezelf steeds weer laten herinneren aan het gebod van de liefde.
Steeds weer een nieuw gebod. Als je wil dat het je goed gaat in je huis, in je stad, in je kerkelijke gemeente, in je eigen hart, dan moet je eraan herinnerd worden. Bij al je gedachten, bij alles waarnaar je met je armen reiken wilt, bij al je in en uit gaan in je huis of in je stad, herinnerd worden aan het: Hoor Israel, de heer uw God is één. Heb daarom de Heer lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten. En maak elke dag zijn gebod van liefde opnieuw waar.

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )