v-1.jpg
Lezingen: Exodus 32:1-14; Lucas 15:1-10

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Drie bekende verhalen staan vandaag op het oecumenisch leesrooster van de Raad van Kerken dat wij in onze diensten plegen te volgen; een verhaal uit het OT en twee uit het NT. Zit er een lijn in deze lezingen die samen op het rooster staan?

Het eerste verhaal, dat over het gouden kalf:
De communicatie tussen God en zijn uitverkoren volk op weg naar het beloofde land, de Israëlieten, gaat over vele hobbels. De geschiedenis van het gouden kalf is daar een spectaculair voorbeeld van.

Eerder, in Exodus 19, wordt beschreven hoe Mozes begint aan zijn missie om God te ontmoeten, een tocht naar de top van de berg Sinaï. Mozes gaat alleen; het contact tussen God en zijn volk voltrekt zich niet rechtstreeks, maar via een tussenpersoon: Mozes, de profeet. Het volk zelf moet op afstand blijven, het kan de directe nabijheid/aanwezigheid van God niet verdragen.
God heeft via Mozes aan het volk laten weten dat Hij de Israëlieten bestempelt tot een heilig volk, Zijn volk, een kostbaar bezit voor God, een koninkrijk van priesters. Op de herhaalde vraag van God of het volk Gods wetten wil naleven, wordt herhaaldelijk enthousiast gereageerd, zo staat enkele hoofdstukken eerder te lezen.
Mozes ontvangt in hoofdstuk 20 de Tien Geboden, die op twee stenen platen geschreven zijn, plus een reeks andere regels die het leven van het volk moeten reguleren, het tot een heilig leven moeten maken.

Het volk Israël moet nogal lang wachten, naar zijn zin té lang, tot zijn leider Mozes met concrete resultaten terugkomt van de berg. Zij weten niet wat er met hun leidsman gebeurd is, ze worden onzeker en bang. Komt Mozes nog wel terug of staan we er alleen voor, vragen ze zich af.
Dan gaan ze op zoek naar een houvast, een God die voor hen uit kan gaan, iets concreets om te aanbidden, een gesneden beeld, misschien van God de Heer, maar in elk geval van een god. Aaron, broer van Mozes, weet wat er mis gaat en probeert de zaak in goede banen te leiden. Hij plakt een correct etiket op het gebeuren: het is een feest voor de Heer, zegt hij. Hij bouwt een altaar en zet dat voor het gouden kalf neer. Uitbundig vieren ze feest. Het zojuist ontvangen gebod, dat de Israëlieten geen andere goden dan God voor Zijn aangezicht mogen hebben, wordt met voeten getreden.

God is woedend. Tegen zijn tussenpersoon Mozes vertelt Hij dat Hij heeft besloten het volk, Zijn volk, te verdelgen. Maar God kondigt ook vast aan dat Hij, na schoon schip gemaakt te hebben, toch een nieuw begin wil maken. Met de goudenkalfaanbidders wil hij niet verder, maar met Mozes wil God verder om een nieuw en groot volk te grondvesten.
Een heel verleidelijk aanbod van God aan Mozes, zou je zeggen. Worden Mozes en zijn trouw aan het volk hier getest? Mozes doorstaat de test, hij blijft solidair met zijn hopeloze volk. Hij gaat soebatten met God en hij vindt zich niet te goed om een dubieus argument in te zetten:
“De Egyptenaren zullen in hun vuistje lachen als U het volk verdelgt: ‘Kijk, Hij heeft ze gered om ze nu te verdelgen, wat voor een God is dat? Zo gaan de Egyptenaren nog op een indirecte manier bijdragen aan de redding van hun vijanden”.
Mozes herinnert God ook aan wie Hij is: De God van Abraham, Isaak en Jakob. “Weegt de actuele ontrouw van het volk niet op tegen Gods aloude trouw aan beloften jegens Zijn dienaren?” ( ... zoveel nakomelingen als er sterren aan de hemel staan en het héle gebied voor altijd in hun bezit ...)
En dan strijkt God over Zijn hart. Hij zou zich kunnen distantiëren en Zijn handen van de zaak aftrekken; laat het kwaad maar voortwoekeren, de Israëlieten komen er wel achter...
Maar dat doet God niet, Hij laat zich bidden. Hij schrijft niet af wat door menselijke zonde en domheid ernstig is misgegaan, maar toont zorg voor wat Hij verloren zou kunnen laten gaan.

Over die zorg voor wat als verloren en afgeschreven moet worden beschouwd vertelt Lucas 15 drie verhalen. Twee daarvan hebben geklonken in de lezingen en daarna komt nog de gelijkenis van de verloren zoon.
Wat leren die twee verhalen uit Lucas ons? En wat is de lijn van de NT lezing naar de OT lezing.
Je zou kunnen zeggen: het ogenschijnlijk verlorene niet opgeven, je omkeren, toewenden.

Dat ogenschijnlijk verlorene, in de Lucaslezingen zijn dat de zondaars en tollenaars. Volgens de Farizeeën zijn dat groepen die afgeschreven moeten worden, waar je je handen vanaf moet trekken.

De Farizeeën en Schriftgeleerden deden dat overigens niet met kwade bedoelingen. Zij hadden zorg voor Gods uitverkoren volk als geheel. Jezus ontving tollenaars en zondaars en at met hen. De Farizeeën waren bang dat deze open houding zou leiden tot normvervaging: Wie openlijk in strijd leefde met de wet van God, of zelfs samenwerkte met de Romeinse bezetters, plaatste zichzelf buiten de gemeenschap van Israël, daarvan waren zij overtuigd.

Jezus doet een appèl op hen om hun rol van toezichthouder en normbewaker in te ruilen voor de rol van herder, hun eigenlijke taak: herders van Israël. (In Zijn woorden klinkt de profeet Ezechiël mee: ‘Wee jullie, herders van Israël, want jullie hebben alleen jezelf geweid!’ (Ez. 34:2). Er was geen zorg voor de zwakke, zieke en gewonde schapen. Zij hebben de verjaagde dieren niet teruggehaald, de verdwaalde dieren niet gezocht).

Om de wrokkende Farizeeën te verleiden tot Zijn barmhartige visie, doet Jezus alsof die benadering eigenlijk vanzelf spreekt: “Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet 99 schapen achter om naar het ene te zoeken? En als een vrouw van haar 10 drachmen er één verliest, zet zij toch haar hele huis op zijn kop om het te vinden en laat zij anderen in haar blijdschap delen? Als mensen zo vanzelfsprekend op zoek gaan naar wat waardevol voor hen is, hoeveel te meer dan God? Hebben jullie van God soms een minder hoge dunk dan van jullie medemensen?”
De goudenkalfaanbidders die zich buiten het verbond met God plaatsen; het schaap dat zich buiten de kudde plaatst; de drachme die zoekraakt en daarmee zijn functie verliest: ze moeten niet worden afgeschreven, maar met extra inspanning weer binnengehaald worden in hun oorspronkelijke verband! Iedereen hoort erbij, er kan niemand gemist worden, zo laat Jezus ons zien, en daarin gaat Hij heel ver.

We kunnen aannemen dat de Farizeeën even moesten slikken voordat ze zondaars en tollenaars konden associëren met verloren schapen en verloren muntstukken. Maar als ze een en ander herkenden, zouden ze ook de blijdschap herkennen om het terugvinden van het schaap en het muntstuk, de blijdschap om het verwelkomen van tollenaars en zondaars bij Gods volk.
Laat je blij maken door wat God blij maakt, is de boodschap aan de Farizeeën en Schriftgeleerden.

In een boekje van wijlen ds. Nico ter Linden vond Henk een verhaal, een onthutsende Witz, op z’n duits, dat mogelijk kan illustreren waar het hier over gaat, op een manier ‘larger than life’.
Er zaten twee Joodse mannen op een terrasje, zij dronken een goed glas wijn. ‘Zo stel ik mij nu de hemel voor’, zei de een, ‘dat wij daar op een terrasje zitten en dat wij dan ook van die heerlijke wijn drinken en dat wij dan niet hoeven betalen.’
‘Ik stel mij de hemel ook als een terrasje voor’, zei de ander. ‘Daar voeren wij dan samen een goed gesprek en dan zeg ik tegen jou: “Hé, daar heb je Adolf Hitler ook” en vervolgens zetten wij ons gesprek voort...’

Zoals gezegd, ‘larger than life’. Het verhaal speelt dan ook in de hemel. Dit kunnen mensen van vlees en bloed zoals wij niet of nauwelijks bevatten, laat staan waarmaken. Maar het brengt ons misschien wel op ideeën.

Amen

Overweging uitgesproken door mw. Yolande van Dijk-Beukers.

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )