v-6.jpg
Lezingen: Jesaja 49:1-7; Matteüs 4:12-22

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus,
In hoofdstuk 4:17 vat Mt de boodschap van Jezus samen in één zin: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!’ Wat betekent dat?

1. Wat is dat dan dat Koninkrijk?
2. Hoezo is het ´nabij´?
3. En waarvan en waartoe moeten we tot inkeer komen?

Direct na zijn doop en woestijnervaring tekent zich een nieuwe fase af in Jezus’ leven. Zijn heraut Johannes is door koning Herodes omgebracht en Jezus vlucht. Hij wijkt uit van Jeruzalem en omgeving en duikt onder in Galiliea, waar Herodes hem niet gauw zoeken zal, want voor hem is deze provincie van ondergeschikt belang. Jezus gaat niet wonen in zijn vaderstad Nazareth, meer landinwaarts, maar in Kafarnaüm, aan de noordelijke oever van het meer. Hier begint zijn bediening; juist hier in Galilea zal zijn werk vruchtbaar blijken en gedijen.

Om te begrijpen, waarom in de ogen van de Jood Mt, en zijn Joodse gemeente, voor wie hij schrijft, het belangrijk is Jezus’ werkterrein in Galilea te duiden, maken we even een uitstapje.
In Mt. 4:14-15 verwijst hij naar een tekst uit de profeten: ‘opdat in vervulling gaat, wat door de profeet Jes. is voorzegd’.
Mt. verwijst hier niet naar het gedeelte dat we gelezen hebben, maar naar Jes. 8:23 – 9:1.
In Jesaja’s dagen was het land Israël verdeeld in noord- en zuidrijk. Jesaja zelf woonde in het zuiden, maar hier schrijft hij over Galilea, dat in het noorden ligt: ‘Zoals het land van Zebulon en Naftali’ in het verleden smadelijk bejegend is, zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek, het Overjordaanse en het domein van andere volken.
Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in donker wonen worden door een helder licht beschenen.’ Hier vergelijkt Jesaja Galilea, waar tot aan de ballingschap de nakomelingen van Zebulon en Naftali woonden, met

1. aan de ene kant het gebied aan de overkant van de Jordaan, waarbij je moet denken aan het gebied dat vandaag ongeveer Jordanië beslaat,
2. aan de andere kant de kuststreek en
3. de overige de gebieden van heidense volken, de niet-Joden dus.

Galilea werd in Jesaja’s dagen geteisterd door invallen van Aram en Assyrië, en in toenemende mate door hen binnengedrongen en bewoond, en beïnvloed, zeker toen de ballingschap een feit werd.
Die invloed is altijd gebleven. Daarom werd er op neer gekeken en over streek en volk vaak met minachting gesproken.

Belangrijk aan Jesaja's tekst is, dat daar, in die heidense landen, het licht van God zal doordringen, helder en schitterend! Nu is Jezus naar Galilea gevlucht en dat, vind Mt, stemt overeen met wat de profeet zegt, maar hij past voor zijn doel Jesaja’s tekst wel een beetje aan: ‘Land van Zebulon en Naftali, - d.i. west Galilea, waar ook Kafarnaüm ligt, (jij ligt) aan de weg naar de zee, naar Jesaja’s kusstreek en naar de andere kant: richting de overkant van de Jordaan.
Jij, Galilea van de heidenen, luister: Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ Hier zet Mt. uitgerekend Galilea met al zijn heidense invloeden in het middelpunt. Dit is het land waar Christus gaat wonen, dit land wordt bron van licht voor de volken.

Ik vind het verrassend hoe vrij er in het NT omgesprongen wordt met teksten uit het OT, terwijl wij - met onze literaire studies en tekstkritiek – vandaag, er soms wel erg krampachtig mee om lijken te gaan.
Mt. past de tekst van Jesaja gewoon aan om aan te geven, dat Galilea een centrale plek in neemt in de verspreiding van het licht van het Koninkrijk van de hemel. Galilea is als een fakkel op de standaard langs de weg naar de zee, poort naar de wereld in het westen, en naar het Overjordaanse, poort naar de wereld in het oosten.
Uitgerekend hier, waar je de heidense invloeden voelt, ziet en ruikt, zal het licht van God zal doordringen, schitterend en helder, doordat Christus hier is gaan wonen en het Koninkrijk gestalte geeft onder de mensen.
Hier, in dit heidense gebied, begint Jezus zijn verkondiging: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!.’ Jezus richt zijn woorden tot de mensen en betrekt ze bij het verspreiden van Gods licht in het duister van onverschilligheid, haat, geweld, ziekte, verdriet, en wat niet al, waarin de wereld gehuld is.
Jesaja wist daar al van; dat hebben we gelezen in Jes 49:5-6: ‘de Heer heeft mij al in de moederschoot gevormd tot zijn dienaar ...’
En gezegd: ‘Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin.
Ik zal je maken tot een licht voor álle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’ Niet omstandigheden, geen wilde dieren, die het door oorlog verwoeste land binnen trekken, brengen licht in de wereld, maar mensen, zo ook Jesaja.
Jezus’ verkondiging is gericht aan het adres van heel gewone mensen, eenvoudige vissers, zoals de broers Simon en Andreas en Jacobus en Johannes: ‘Kom volg mij, ik zal jullie vissers van mensen maken’.
Zij hebben zijn boodschap waarschijnlijk al gehoord en begrepen, want onmiddellijk laten ze hun netten achter en volgen hem. Daarop, zo vertelt Mt., trok Jezus met deze vier rond in heel Galilea; en hij verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk, en hij genas iedere ziekte en kwaal onder het volk.’
En moet je eens horen wie er allemaal als gevolg van zijn werk zijn licht ontvangen en hem volgen!: ‘mensen uit Galilea, en uit Syrië, uit Jeruzalem en Judea en uit het Overjordaanse. Dít is wat Mt. wil zeggen: Heel de wereld ziet het Gods licht in Jezus en trekt achter hem aan.
Goed, dan nu de vragen die ik aan het begin stelde:

1. Wat ís dat Koninkrijk van de hemel, dat Jezus verkondigt?
Gerard Reve, vroeg in een van zijn gedichten: ‘Dat koninkrijk van u, weet u nog wel, komt daar nog iets van?’
Die vraag roept bij mij een wedervraag op: ‘wat stel jij, en wat stel ík me voor bij het Koninkrijk van de hemel?’ Voor velen is het de idee van een perfecte wereld, waarin geen ruimte is voor oorlog en geweld, voor tirannie en overheersing. Dat zijn beelden vooral gevoed door idealen uit verleden en heden, en toegegeven ook gevoed door verbeelding uit de Bijbel zelf ...
In ons westerse denken gaat het al gauw over democratie, over vrijheid, gelijkheid en broeder- en zusterschap, verlichte idealen van revolutionaire aard, Frans of niet, - maar nooit verwezenlijkt.
Hoe zit het dan met dát Koninkrijk, komt dat ooit? Denken wij misschien te veel in termen van een koninkrijk, gevormd naar onze eigen, menselijke idealen, en makelij, waarover wijzelf koning willen zijn? Ik ben bang van wel.
Alles wat we zo over het Koninkrijk zeggen, lijkt meer te zeggen over ons en onze tijd, over ons denken en onze mogelijkheden, dan over de werkelijkheid van het K´rijk van God, of ‘van de hemel’, zoals Mt het consequent noemt.

Er is nog een citaat van Reve, waarin hij stelt, dat de mens, uit water en geest herboren, volledig is, dat wil zeggen ‘vrij van vrees.’ De grondtoon van Reve’s leven was ‘angst’. Daarvan bevrijd te worden, moet voor hem verlossing hebben betekend.
Wij kunnen ons daar vast wel iets bij voorstellen. We hebben immers allemaal zo onze eigen fratsen, ziekten en kwalen van ichamelijke, geestelijke en morele aard. En Mt vertelt toch ook, dat Jezus op zijn rondgang in Galilea de mensen genas van die dingen? Dan toch ook Reve van zijn angsten en jou en mij van ónze levenspijnen? Maar is dát dan het wezenlijke van Koninkrijk van de hemel? Zegt deze kijk op het Koninkrijksleven niet meer over Reve, en over ons menselijk verlangen, dan over het Koninkrijk van de hemel? Gaat het er in de kern niet om, dat wij een hemelse Koning hebben, aan wie wij ons - te midden van alles dat moeilijk en moeizaam is - toevertrouwen, onszelf en ons hele bestaan? Dat is immers wat geloof ten diepste is: vertrouwen, toevertrouwen. Zou dit niet de kern van het Koninkrijk zijn: de erkenning van de hemelse Koning, God boven ons uit, Christus aan de rechterhand van de Vader en wij en ons hele mensenbestaan geborgen in zijn hand?

2. Maar hoezo dan is het Koninkrijk van de hemel ‘nabij’? Mt. maakt aan het einde van zijn evangelie duidelijk dat - met zijn hemelvaart, Christus aan de rechterhand van de Vader plaatsneemt en zo het koningschap aanvaart; híj is dus onze koning. Toch, tijdens zijn rondgang in het Galilea toonde hij zich niet de baás over de mensen, maar juist hun dienaar: hij verkondigde het Koninkrijk in woord én in daad. ‘Kom, volg mij’, zei hij tegen de vissers, - en nu ook tegen ons, ‘ik zal jullie vissers van mensen maken’.
Dat betekent niet, dat we zoveel mogelijk mensen de kerk moeten binnenhengelen, maar dat wij als zijn volgeling juist naar buiten te gaan en dienstbaar zijn aan de mensen om ons heen: niet alleen maar binnen een lichtje voor ze opsteken, maar daar buiten licht zijn voor wie het allemaal niet meer zien zitten, schitterend, helder, verhelderend licht, zodat zij verder kunnen, weg durven stappen uit de schaduw van een doodlopend bestaan.
Het Koninkrijk van de hemel is daar ‘nabij’, waar wij Christus, onze Koning, erkennen en vertrouwen en in navolging van hem de mensen met zijn liefde tegemoet treden, zonder schroom en voorbehoud, onbevangen en vrij, liefdevol ...
Zo goed en eenvoudig is het leven, zo nabij de liefde van God, onder het koningschap van de Zoon, die ‘t ons heeft voorgeleefd. Eigenlijk zijn we hiermee het antwoord op de 3de vraag al op het spoor:

matteus3. Waarvan en waartoe moeten we tot inkeer komen?
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik merk bij mezelf en vaker dan me lief is, dat ik het moeilijk vind me echt aan Christus toe te vertrouwen, en hem zijn plaats als koning in mijn leven te gunnen. Ik heb de neiging de dingen zelf te willen doen, i.p.v. in vertrouwen hem de ruimte te geven, mij en mijn bestaan in zijn licht te zetten, zodat ik wijzer wordt.
‘God boven mij uit’, lastig! Ik moet tot inkeer komen, uit het duister van mijn eigen denken en doen, weg van mijn steeds terugkerende aanspraak op Gods troon in mijn leven, en inkeren in zijn licht. Het zal mij goed doen!
Ja, ja, maar hoe? Weet je, in Jezus wil deze ‘God boven mij uit’, deze God groter dan mijn hart, voor mij en ons allemaal ‘Immanuël’ zijn, ‘God mét ons’.
Zo is het Koninkrijk ‘nabij’: God loopt met ons op al onze levensdagen. Het Koninkrijk ‘nabij’ is concreet zichtbaar in het spreken en handelen van Jezus onder de mensen in Galilea. Ik kan hem navolgen, anderen nabij zijn, bijdragen aan de heelheid van mensen rondom mij. Al is het maar, dat ik nadenk voór ik er een veroordeling uitflap, eerst eens een vraag stel voor ik iets ergens van vind; of misschien gewoon maar luister, begrip toon en medeleven; of dat ik de ander bezie met vriendelijke ogen en met mededogen; of in alle bescheidenheid iemand aanraak, die zulke nabijheid mist.
Ik kan misschien maar weinig, het stelt wellicht niet veel voor, het is geen groot gebaar, niets groots en meeslepends, maar het betekent vaak meer dan wij geneigd zijn te denken.
Laat wij daarom inkeren tot het besef, dat Christus Koning is, dat hij ons, en de mensen om ons heen, optilt boven onszelf uit, boven onze kleinheid in denken, spreken en doen.
Laten we inkeren tot het besef, dat hij, de hemelse Koning, óns roept tot dienaren van zijn licht, gewoon omdat Hij in ons gelooft.
Laten we inkeren tot onbevangen liefde, zonder schroom of angst, zonder voorbehoud of eigen agenda, zodat wij mensen kunnen dienen, zoals Jezus deed, en voor elkaar en anderen het Koninkrijk ‘nabij’ brengen, tastbaar en beleefbaar maken.
Of zij dan op hun beurt zijn licht zullen zien en volgeling van Jezus worden? Gód weet het!
AMEN.

De Ontmoetingskerk   Meijhorst 7033  •  6537 EP  Nijmegen   024-344 14 46  ( secretariaat )