Overweging 9 en 10 juli 2022 door pastor Joska van der Meer

Lukas 10:25-37
Deut 30:10-14

‘Wie is mijn naaste?’ vraagt lang geleden een man aan Jezus. Een heel andere vraag dan velen in onze tijd bezig houdt: Wie ben ik?
Voor Jezus zijn het twee kanten van dezelfde medaille: het voornaamste gebod is immers heb je naaste lief als jezelf. Toch maakt het wel degelijk uit waar je begint, bij jezelf of bij de ander, je naaste.

De wetgeleerde vraagt: Wie is mijn naaste? Het antwoord van Jezus is een verhaal, geen definitie, geen getallen of strak getrokken grenzen ‘jij wel, jij niet’. Jezus laat mensen toen en nu het liefst met verhalen ontdekken hoe het zit. Op de vraag van de wetgeleerde vertelt hij daarom een verhaal. Een bekend en geliefd verhaal, omdat het zo duidelijk is. Twee voorbeelden hoe het niet moet, en dan het goede voorbeeld.
Een man ligt gewond op de grond. De eerste twee voorbijgangers zien hem wel liggen maar lopen er met een boog omheen. De derde voorbijganger ziet hem, krijgt medelijden, verzorgt hem en zorgt dat hij op een veilige plek terecht komt. Als Jezus dus na dit verhaal de vragensteller vraagt wie de naaste is van die gewonde man, hoeft deze de voorzet alleen maar in te koppen: de Samaritaan natuurlijk! De boodschap is overduidelijk: ontferm je over wie hulp nodig heeft. Zo staat het in kinderbijbels, zo werkt dit verhaal meestal in ons leven.

Het helpt ons als we te laat komen omdat we onderweg iemand moesten helpen bij het oversteken of omdat we even afstapten om van iemand in een moeilijke situatie te horen hoe het gaat. Het helpt om drukke werkzaamheden te relativeren, om die te laten onderbreken als mensen bellen met een verdrietige boodschap.
Nood breekt wet, vertelt het verhaal. En wees er voor mensen in nood. Maar er is nog meer. Iets dat verder gaat dan alleen een aanwijzing hoe te handelen in noodgevallen.

Na het verhaal vraagt Jezus aan de wetgeleerde: wie van de drie is de naaste van de man die in handen van rovers was gevallen? Hiermee wijst hij de wetgeleerde er fijntjes op dat hij niet vanuit zijn eigen perspectief moet vertrekken. Zijn vraag anders moet zijn: niet ‘wie is Mijn naaste?’ maar ‘voor wie ben jij een naaste?’. Wie noemen jou hun naaste? Jezus laat de man én ons het perspectief innemen van die gewonde man. Wie zou hij als naaste ervaren? Daarmee daagt Jezus ons uit om ook nu te kijken vanuit het perspectief van mensen in nood. Wie ervaren zij als hun naaste? En waarom? Ga kijken vanuit het perspectief van een mens in nood, verplaats je in die gewonde man langs de weg en bedenk hoe de wereld er dan uit ziet en wat je van een ander nodig hebt. Als je die gewonde mens zelf bent, – niet gezond, gewond in lijf of ziel -, is dat niet moeilijk, dan weet je wie nu je naaste zijn. Vaak is het dan verrassend en teleurstellend om te zien wie je in tijden van nood nabij blijven: mensen van dichtbij, familie, vrienden die het laten afweten, vreemde of vrienden die er wel gewoon zijn met raad en daad.

Tegen wie niet gewond langs de kant van de weg ligt, voor wie op eigen kracht onderweg kunnen zijn, zegt Jezus hier: verplaats je in de positie van die arme, zieke of met hartzeer gewonde mens. Laat je vertellen door hen hoe je voor hen een naaste kunt zijn. In de organisaties worden er daarom steeds meer ervaringsdeskundigen ingezet. In ons eigen leven is het meer een kwestie van met wie je praat, naar wiens verhalen je luistert of wat je leest. Ga naar het Muzieum hier in Nijmegen om te ervaren hoe het is om blind te zijn, ga naar het Beleefhuis om te voelen hoe het is om rond te moeten komen van de bijstand. Kijk naar documentaires waarin mensen van kleur vertellen over racisme.
Die door Jezus voorgestelde kijkrichting – vanuit de gewonde man, wie is voor hem de naaste – doet een beroep om op ons om grens-doorbrekend te leven. Dat staat haaks op de tendens in deze tijd waarin ieder zich steeds meer terugtrekt in een eigen bubbel, het eigen land, de eigen gemeente. Doelbewust laat Jezus een Samaritaan het goede voorbeeld geven. Joden en Samaritanen gingen in die tijd niet met elkaar om. Vanuit die omgangsregels had ook de Samaritaan gerust door kunnen lopen. Maar dat deed hij niet. Hij doorbrak de op grond van politieke en religieuze verschillen getrokken grens. Hij verplaatste zich in die gewonde mens: als je er zelf zou liggen, zou je toch ook hopen en bidden dat er iemand stopte om je te helpen, als was het maar om 112 te bellen? Als je zelf ergens asiel zou moeten aanvragen, zou je toch hopen en bidden dat er ergens onderdak voor je is?
Wie zich zo regelmatig verplaatst in de ander ontdekt meteen meer over de vraag ‘wie ben ik?’. Want dan ontdek je dat je soms die gewonde langs de kant van de weg bent, soms de naaste van bekenden én onbekenden.

Geplaatst in Preken.